HomeActueelWat ongelijk is niet gelijk behandelen

Wat ongelijk is niet gelijk behandelen

Publicatiedatum: 23 okt. 2012

Altijd was uitgangspunt van het afstammingsrecht dat zo veel mogelijk wordt aangesloten bij de biologische afstamming. Dat was en is helder, sluit aan bij de natuurlijke (scheppings)orde en voorkomt allerlei rare en ingewikkelde juridische kronkels. Het voorstel om duomoederschap voor de niet-echte moeder in een lesbische relatie mogelijk te maken, staat daar haaks op. Wat ongelijk is, wordt gelijkgeschakeld. De SGP stemt daar tegen.


Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (33032)

Is het een ingrijpend wetsvoorstel, dat wij nu bespreken?

Sommigen zeggen: dat valt wel mee. Het is gewoon weer een nieuwe stap in een lopende ontwikkeling. Eerst werd adoptie door homoparen mogelijk, toen werd de adoptieprocedure vereenvoudigd voor gehuwde lesbische paren. En nu wordt het nog weer makkelijker gemaakt voor een vrouw die getrouwd is met de biologische moeder van een kind, om ook zelf juridisch ouder te worden. 

 

Het is waar dat er de afgelopen 15 jaar steeds weer nieuwe stappen zijn gezet, en het ene wetsvoorstel nog niet afgerond was, of er was alweer een nieuw voorstel in de maak. En het is waar dat in de houding tegenover lesbisch ouderschap maatschappelijk en politiek al eerder wissels zijn omgegaan.

 

Toch hebben adviesorganen er terecht op gewezen dat dit wetsvoorstel wel degelijk weer een ingrijpende wijziging betekent.  Het uitgangspunt van het afstammingsrecht, dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de biologische afstamming, wordt verlaten. De Raad van State wees hierop. De Raad voor de Jeugdbescherming spreekt over vergaande wetgeving die het huidige afstammingsrecht geheel doorkruist en waarvan de gevolgen nog niet te overzien zijn. De SGP deelt die analyse.

 

Wij zijn bezorgd dat onder druk van de gelijkberechtiging van homoparen en politieke lobby, steeds weer de bakens verzet worden, en het belang van het kind daaraan ondergeschikt wordt gemaakt.

 

De SGP-fractie maakt er geen geheim van dat wij het vestigen van meemoederschap, ontstaan door adoptie, een ongewenste stap vonden. Hierover hebben we een aantal jaar geleden uitgebreid gediscussieerd. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken zorgt ervoor dat een kind bij geboorte een ‘moeder, uit wie het kind geboren is’ en een ‘moeder, uit wie het kind niet geboren is’ krijgt. Daarnaast heeft het betrokken kind een biologische vader. Wie dat is, moet door de moeders verteld worden of later opgevraagd.

 

De regering kiest er met dit wetsvoorstel voor om het recht aan te laten sluiten bij de feitelijke situatie. Dat betekent wel dat er afstamming ontstaat, terwijl er geen sprake is van een biologische bloedband. Het uitgangspunt dat degene die van rechtswege juridische ouder is, ook verondersteld wordt de biologische ouder te zijn, wordt daarmee verlaten. Niet alleen de biologische ouder, maar ook de sociale ouder kan via de band van het afstammingsrecht in familierechtelijke betrekking tot het kind komen te staan. Dat is een achteruitgang in helderheid, mist oproepen in plaats van wegnemen. Hoe je het wendt of keert: het komt toch neer op het gelijk behandelen van ongelijke situaties.

 

De Commissie-Kalsbeek heeft zich in 2007 niet uitgesproken over de vraag of het duomoederschap van rechtswege bij geboorte moet onstaan, omdat dit een rechtspolitieke vraag is. De SGP maakt een principieel andere rechtspolitieke keuze dan het kabinet en wil in het afstammingsrecht vasthouden aan het biologische ouderschap als de fundamentele band tussen ouders en kinderen.

 

De regering beoogt met dit wetsvoorstel bescherming te bieden aan de belangen van het kind. Maar waar is het kind het meest mee gediend?

Wij zijn er diep van overtuigd dat het geen toeval is dat het krijgen van kinderen in de natuur verbonden is met het samenleven van een man en een vrouw. Dat is een natuurlijke orde die door de Schepper is gegeven. In die orde kunnen ook de aanvullende eigenschappen van een vader en een moeder optimaal ingezet worden in het belang van de ontwikkeling van het kind.  Het belang van kinderen is er naar onze overtuiging het meest mee gediend als die wijsheid in acht wordt genomen. Daarmee zijn zij het beste af. Het sluit aan op de natuurlijke, van God gegeven normen die de eeuwen door beproefd en waardevol bevonden zijn

 

 Het wetsvoorstel miskent dit. Ten diepste is het ouderschap geen vrije keuze, maar een gegeven situatie – wat voor wettelijke constructies we ook bedenken..

Dit wetsvoorstel is daarmee een nieuwe stap die laat zien hoezeer de wetgever zich in allerlei bochten moet wringen om iets te regelen wat feitelijk niet gelijk is aan het gewone ouderschap van een vader en een moeder. Bij lesbisch ouderschap is er altijd een derde in het spel – de biologische vader.

 

In het Nederland van nu wordt in feite volop geëxperimenteerd met familieverhoudingen. De diversiteit aan relaties is enorm.  Wat de gevolgen ervan zijn, is voor ieder onbekend. De toekomst zal het moeten leren. Maar wij zijn hier zeer bezorgd over, vanuit de overtuiging dat het respecteren van die natuurlijke orde in het belang van de samenleving is.

 

Eerder noemde de regering drie redenen om niet tot zo’n wijziging over te gaan. Die wegen voor ons nog steeds in belangrijke mate zwaar: het juridisch ouderschap volgt het biologische ouderschap; de problemen met de erkenning in het buitenland; er is per definitie een derde in het spel.[1]

 

Erkenning buiten Nederland blijft een probleem. De regering geeft zelf aan dat vermoedelijk meer landen het ouderschap van twee vrouwen niet erkennen dan landen die het wel erkennen. (nr. 6, blz. 21) De SGP vraagt de staatssecretaris dan ook om bij deze bezwaren nog eens grondig stil te staan.

 

De regering veegt onderzoek naar de psychosociale gevolgen van kinderen met twee moeders of twee vaders van tafel. De regering schrijft: ‘Het ouderschap van twee moeders is in onze samenleving een gegeven. Nader psychologisch onderzoek heeft in dit licht geen toegevoegde waarde.’

 

De SGP is het daar niet mee eens. Met dat argument kun je elke vorm van onderzoek wel terzijde schuiven, omdat er altijd sprake is van een feitelijke situatie. De vraag is of die feitelijke situatie gewenst is. Bovendien verwijst ook de Raad voor de Strafrechttoepassing en de jeugdbescherming dat er reden is voor zulk nader onderzoek. Daarom roepen wij het kabinet ertoe op om alsnog dit langjarig onderzoek ter hand te nemen.

 

Bij alle fundamentele verschillen is wel een overeenkomst: informatie rond de afstamming is voor elk kind van belang. In de meeste gevallen is die informatie beschikbaar, maar de SGP vraagt de regering er zorg voor te dragen dat elk kind – in wat voor feitelijke leefomstandigheden het ook leeft – weet wie zijn of haar vader en moeder zijn. De regering noemt nadelen van registratie: maar wat is dan wel mogelijk?

 

De praktische redenen om deze principiële wetswijziging voor te staan, zijn wat ons betreft bij lange na niet zwaar genoeg om ons afstemmingsrecht om te gooien. Zwaarder voor ons weegt: de principiële bezwaren zijn zo groot dat wij met dit wetsvoorstel niet zullen instemmen



[1] Zie advies Raad van State, 330032, nr. 4, blz. 3.