11 februari 2014

Plasterk

 Debat over het verzamelen van 1,8 miljoen metadata van telefoonverkeer door de Nederlandse veiligheidsdiensten
11 februari 2014
R. Bisschop


Voorzitter,
In een openbaar debat zijn geheimhouding en staatsveiligheid lastige begrippen. Daar lopen we in een debat als vandaag stevig tegenaan. Als de Kamer vraagt waarom bepaalde zaken geheim gehouden worden, is het antwoord van de beide bewindslieden voorspelbaar: daar kunnen we geen mededelingen over doen. Dat is ook in lijn met artikel 68 van de Grondwet.

Er ligt dus een zware verantwoordelijkheid op de ministers en staatssecretarissen. Alleen zij zijn in eerste instantie verantwoordelijk om te bepalen of er sprake is van  ‘het belang van de staat’ en in hoeverre de gevraagde informatie strijdt mét dat belang. 

In de kwestie de we vandaag met elkaar bespreken, lag die verantwoordelijkheid met name bij minister Plasterk. Hij heeft op verschillende momenten een verschillende gedragslijn gekozen.

De SGP had het kunnen begrijpen én billijken als de minister een continue lijn had gevolgd: ‘Ik kan hierover geen mededelingen doen. Het gaat om staatsbelangen die niet openbaar gemaakt kunnen worden.’ Dat had dan de reactie moeten zijn op 30 oktober, op 22 november én op 4 februari.

Maar de minister handelde anders. Op de waarom-vraag geven de antwoorden van gisteren de SGP niet de gewenste duidelijkheid. Vandaag willen we meer horen. Met name deze minister heeft naar het oordeel van mijn fractie veel uit te leggen.

Op 30 oktober heeft de minister zich uitvoerig en openhartig uitgelaten over zijn visie op de zijns inziens kwalijke rol van de NSA. Dat heeft hij op 6 november in het AO nog eens gedaan. Die openhartigheid blijkt nu niet alleen voorbarig te zijn geweest, maar ook nog eens in strijd met de feiten. Want na onderzoek blijkt een paar weken later dat het gaat om de rechtmatige inwinning van gegevens binnen het wettelijk kader..

De SGP vindt het moeilijk te begrijpen dat er in november ineens een beroep op de staatsveiligheid nodig is. Had de minister toen niet in een sobere mededeling aan de Kamer kunnen melden dat de feiten toch net wat anders liggen en dat er niets bijzonders aan de hand blijkt te zijn? Waarom zou dat moeten stuiten op de overweging dat dit zou strijden met de ‘modus operandi’ van de diensten? Heeft de minister van Binnenlandse Zaken door zo lang te wachten niet onterecht de veronderstelling gevoed dat hij op 30 oktober de juiste feiten naar buiten gebracht heeft?

Eind januari zou er een nieuw afwegingsmoment zijn ontstaan. Mijn vraag aan de bewindslieden luidt: is de druk van de rechtszaak hierbij de enige overweging? Verwachten de bewindslieden dat de rechter het staatsbelang onderuit zal halen? Welke informatie hebben de bewindslieden op 4 februari gegeven die niet ook al op 22 november gegeven had kunnen worden? Waarom moest dit twee en een halve maand duren? Welke informatie had hij in november niet kunnen geven en nu wel?

Voorzitter,
De ministers zijn verantwoordelijk om de Kamer juist te informeren. De ministers moeten de Kamer ook zo snel mogelijk informeren.

Concluderend vraag ik met name van de minister van Binnenlandse Zaken een heldere verantwoording. Het lijkt er nu op dat de minister te spraakzaam was toen zwijgen op zijn plaats was en te zwijgzaam toen hij had moeten spreken.