21 februari 2018

SGP en CDA willen aanpak sugardating na undercoverbeelden

UPDATE: Lees hier de beantwoording van de Kamervragen.

Kwetsbare jonge meisjes die denken financiële hulp te krijgen. Maar uiteindelijk verwachten deze veelal oudere mannen seksuele tegenprestaties. Een uitzending van het programma RamBam met verborgen camera leverde ontluisterende verhalen en praktijken.

De SGP wees eerder al op Frankrijk, dat actief zoekt naar mogelijkheden om deze verkapte vorm van prostitutie aan te pakken. Want in feite is sugardating een alternatieve vorm van escortactiviteiten, maar dan totaal buiten elk toezicht.

Kees van der Staaij: ‘Toen het eerste grote platform zich meldde in Nederland met een agressieve reclamecampagne werd daar door veel mensen wat lacherig over gedaan. Maar het is onacceptabel dat onder het mom van een datingplatform een illegaal prostitutienetwerk ontstaat. Jonge kwetsbare meisjes zijn hier vervolgens slachtoffer van.’

SGP en CDA willen weten of de regering deze praktijken toelaatbaar vindt, en of de overheid het doen van aangifte door meisjes wil bevorderen. Ook wijzen de partijen er op dat de Europese rechtspraak ruimte biedt om reclame van dit soort platforms aan te pakken. Ook daar willen zij graag reactie op.


Schriftelijke vragen van de leden Van der Staaij (SGP) en Kuik (CDA) aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de ministers van Binnenlandse Zaken en Onderwijs, cultuur en wetenschap over sugardating:

  1. Kent u de uitzending van Rambam van 15 januari 2018 over sugardaddy-praktijken?
  2. Deelt u ook het beeld dat het bij deze datingssites doorgaans de sugerdaddy in ruil voor seks ‘de date’ betaalt? Bent u tevens met ons eens dat hiermee dergelijke sites eigenlijk niet meer gebruikt worden als datingssites, maar als platform dienen om seksuele diensten aan te bieden?
  3. Vindt u zulke praktijken toelaatbaar op grond van de huidige wet- en regelgeving, mede gelet op de uitlatingen van het bedrijf dat sprake is van “een soort escortdienst”?
  4. Wat is uw oordeel over het feit dat seksuele handelingen een belangrijke kern van de activiteiten vormen van de sugar-daddypraktijken? Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre het beeld dat in deze uitzending naar voren komt klopt en in hoeverre deze praktijk ook bij soortgelijke organisaties aan de orde is?
  5. Ziet u ook dat dergelijke datingsites risicovol kunnen zijn voor kwetsbare (jonge) vrouwen die om geld verlegen zitten? Bieden deze sites, naar uw mening, voldoende waarborgen om illegale prostitutie en/of mensenhandel te voorkomen? Deelt u de verontwaardiging van de Franse staatssecretaris van Emancipatiezaken dat het lichaam als handelswaar wordt behandeld?
  6. Hoe beziet u de inspanningen van de Franse autoriteiten, die onderzoek doen naar de toelaatbaarheid van deze activiteiten en een aanklacht hebben ingediend? Bent u bereid in overleg te gaan met uw Franse collega’s en, in samenwerking met de VNG, te verkennen welke maatregelen in Nederland mogelijk en nodig zijn? Bent u bereid te bevorderen dat aangifte wordt gedaan van strafrechtelijke overtredingen zoals aanranding en verkrachting door personen of het bedrijf dan wel voor poging, deelneming of uitlokking ervan?
  7. In hoeverre is voor een dergelijk bedrijf op grond van de bestaande wetgeving en op grond van het wetsvoorstel voor regulering van prostitutie sprake van een vergunningplicht vanwege escortactiviteiten? Zijn de benodigde vergunningen hiervoor aangevraagd en verkregen?
  8. In hoeverre zijn de praktijken die in deze uitzending naar voren komen in strijd met andere wettelijke regels? Bent u – mede in het licht van het grote risico van uitbuiting – bereid toezicht te houden op de activiteiten van deze branche?
  9. Wordt ten aanzien van sugerdating sites al gebruik gemaakt van de in de brief van 28 november weergegeven mogelijkheid om tegen websites die een platform bieden voor uitbuiting strafrechtelijk op te treden? Zo ja, hoe vaak? Zo nee, waarom niet?
  10. Hebben gemeenten op dit moment te weinig mogelijkheden om tegen zulke websites op te treden, zoals de voormalige wethouder van Amsterdam stelde? Is de regering bereid te werken aan de totstandkoming van die regels? Wordt in ieder geval op basis van de bestaande regels opgetreden tegen de website, nu blijkt dat daadwerkelijk sprake is van misstanden?
  11. Onderkent u dat de Europese jurisprudentie inzake artikel 10 EVRM overheden veel ruimte biedt om ongewenste commerciële reclame te bestrijden? Bent u bereid om, in samenwerking met de VNG, te verkennen welke lessen geleerd kunnen worden van het optreden van diverse Belgische steden die deze vormen van ongewenste reclame verbieden?